Blog over psychologie

Niet vechten, maar aaien

Wat doen we als we een probleem tegenkomen? Dit kan van alles zijn: een geldprobleem, een liefdesprobleem, een overlevingsprobleem, et cetera. Wat we vaak doen is onderzoeken wat de oorzaak van dit probleem is, zodat we het vervolgens kunnen gaan oplossen. We willen hoe dan ook dat het probleem ophoudt te bestaan. We gaan het probleem bestrijden, we gaan vechten of we rennen ervoor weg in de hoop dat het probleem dan vanzelf verdwijnt of ons in ieder geval niet meer lastig valt. Maar wat nou als we niet tegen het probleem gaan vechten? Wat nou als we het probleem niet weg gaan duwen, maar juist uitnodigen?

Laten we eerst eens een kijkje nemen in de effectiviteit van het vechten. Het komt ons zo natuurlijk voor dat het wel ergens goed voor moet zijn. Stel, je hebt een bedrijf en je hebt te weinig klanten. De oorzaak hiervan zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat je te weinig reclame maakt. De oplossing is dan simpel: maak meer reclame en de klanten zullen toenemen. Op deze manier kan je vechten tegen je klantenprobleem en het zal, als je het goed aanpakt, ook werken. In deze situatie is vechten dus een goede oplossing. Door actief met je klantenprobleem om te gaan kan je het probleem verminderen of zelfs weghalen. Laten we eens kijken naar een fysiek probleem. Stel nu dat je vol enthousiasme van de berg af skiet, je hebt een goede vaart en plots ligt er iets voor je waardoor je struikelt en je been breekt. Het heeft weinig zin om te blijven liggen en helemaal niets te doen, of terwijl om je probleem hier ‘uit te nodigen’. Nee, je zult moeten vechten om je been te redden of zelfs om te moeten overleven. Gelukkig heb je je mobieltje bij je en word je snel gered. Het vechten tegen je probleem heeft je in deze situatie gered.

Vechten tegen je problemen kan dus heel nuttig en effectief zijn, maar wanneer houdt het op en heeft vechten juist het tegenovergestelde effect? Stel je voor dat je een psychisch probleem hebt. Je kunt bijvoorbeeld maar niet ophouden met piekeren. Je piekert over van alles en nog wat en dit geeft je een naar en vervelend gevoel. Heeft vechten tegen dit piekeren ook zin? Vechten zou in dit geval betekenen dat je tegen jezelf zegt dat je niet mag piekeren of dat je jezelf zoveel mogelijk probeert af te leiden om maar niet aan het piekeren te zijn. Wat er gebeurt in deze situatie is dat je een heleboel energie gaat stoppen in het niet mogen piekeren. Het effect hiervan is echter dat het piekerprobleem alleen maar groter wordt, je gaat namelijk piekeren over je piekeren. Zie het als een soort ballon die alleen maar groter wordt omdat je er zoveel lucht in blaast, je besteed er veel aandacht en energie aan. Vechten heeft op deze manier het tegenovergestelde effect van datgene wat je wilt bereiken: minder piekeren. Het is niet alleen onbehulpzaam, het verergert je probleem zelfs.

Wat zou er gebeuren als je stopt met vechten, maar juist gaat aaien? Tegen jezelf zeggen  dat je niet mag piekeren, dat werkt niet. Stel dat je eens tegen jezelf zegt dat je wel mag piekeren, sterker nog, nodig het piekergedrag gezellig uit. Al die vervelende gedachten die je hebt mogen er ook gewoon zijn. Zet ze naast je op de bank neer en zeg tegen ze: “Goh, daar zijn jullie weer. Blijkbaar heb ik even zin om te piekeren, kom er gezellig bij zitten.” Dit klinkt allemaal wellicht een beetje raar, maar wat is nu het verschil tussen het vechten en het aaien? Bij het vechten steek je allemaal energie in je probleem zodat het groter wordt, bij het aaien laat je het probleem voor wat het is en houd je de energie over die je voor iets positievers kunt inzetten. Bij het vechten blaas je de ballon groter op en bij het aaien laat je de ballon lekker klein liggen.

Ik kan me voorstellen dat je nu denkt: “Dit is allemaal leuk en aardig en voor het piekeren kan ik het me wellicht nog voorstellen dat het zo werkt, maar wat nou als ik heel erg somber ben of me juist heel druk voel of veel woede ervaar? Werkt het dan ook?” In veel gevallen zou ik zeggen: Ja. Het verschil tussen het vechten en het aaien ligt hem in de acceptatie. Accepteren dat je een probleem hebt, geeft vaak al veel rust en geeft je de ruimte en energie om het probleem te kunnen verkleinen. Als je vecht tegen je probleem, dan zeg je eigenlijk tegen jezelf dat datgene wat je voelt/denkt er niet mag zijn. Dit is logisch, omdat het vaak om hele nare gevoelens/gedachten gaat. Het werkt echter vaak juist tegenovergesteld als je maar tegen jezelf blijft zeggen dat je dit niet mag ervaren. Juist door de gevoelens/gedachten te ervaren, ze de ruimte te geven, blijven ze klein en houd je adem over om je te richten op de positieve aspecten van je leven.

Ik wil geenszins beweren dat met het accepteren al je problemen zijn opgelost. Juist het ervaren van datgene wat je eigenlijk voelt/denkt kan heel erg zwaar zijn. Je laat jezelf immers precies in datgene zitten waar je zo’n last van hebt. Het is ook niet de bedoeling dat je dagen achterelkaar hierin blijft hangen. Hoe lang moet je hier dan wel mee bezig zijn? Dat is niet eenduidig te zeggen, dit hangt af van jou als persoon, van je situatie, enzovoorts. Het is in ieder geval belangrijk dat je een manier vindt die bij jou past en wellicht kan je hierbij steun gebruiken van je omgeving of van een professional. Er lijkt een balans te liggen tussen jezelf de ruimte geven om te voelen wat je eigenlijk voelt en jezelf een zetje te geven om weer door te gaan. Waar deze balans voor jou ligt, dat zal je zelf moeten ontdekken. Wellicht geloof je me wel helemaal niet dat het aaien werkt. Ik zou dan zeggen: probeer het eens uit. Stel dat het niets voor jou is, dan kan je daarna altijd weer terug gaan naar het vechten toch?

Geschreven door: Dea Boom, online studentenpsycholoog

Wil je reageren? Neem dan contact op en geef je mening.


Kun je een ADHD'er of autist zijn?

Denkt u eens na over de volgende drie uitspraken:

"Deze mevrouw heeft Asperger en kan daarom anderen niet goed in de ogen aankijken."

"Doordat deze jongen autisme heeft, fixeert hij zich op zijn muziek."

"Haar ADHD zorgt ervoor dat ze zich niet goed kan concentreren."

Wat klopt er niet aan deze zinnen? Grammaticaal lijken ze correct. Er zitten geen spellingfouten in. Het ligt dus niet aan de taal an sich. En toch klopt er iets niet. Zou het probleem dan inhoudelijk liggen? Maar ADHD hangt toch samen met concentratie? En is fixatie niet een onderdeel van autisme? Ja, dat klopt, maar op deze manier gaat er toch iets verkeerd. Het probleem ligt in de woorden "daarom", "doordat" en "zorgt ervoor". Met deze manier van formuleren wordt namelijk gesteld dat omdat je bijvoorbeeld ADHD hebt, je een slechte concentratie hebt. Niets is echter minder waar. Ik zal uitleggen waarom.

We zijn het gewend om te denken in het volgende denkpatroon: Stel dat je verkouden wordt. Dat is vervelend, want je krijgt last van een aantal symptomen: een snotterige neus, keelpijn, hoesten, etc. Deze symptomen worden veroorzaakt door een virus. Dit is duidelijk aantoonbaar en gelukkig gaat het redelijk snel weer voorbij. Het punt is dat de symptomen een gevolg zijn van het virus; je krijgt het verkoudheidsvirus en daardoor krijg je een snotterige neus.

Virus  -> Snotterige neus

Deze redenatie werkt goed op veel lichamelijke ziektes. Het is hierdoor makkelijk aantoonbaar waar het probleem ligt en wat ertegen gedaan kan worden. Bijvoorbeeld neusspray nemen tegen de lopende neus. Deze redenatie wordt echter ook vaak toegepast op psychische klachten. Als we de voorbeeldzinnen zouden uittekenen, krijgen we het volgende beeld:

Asperger -> Weinig oogcontact

Autisme -> Fixaties 

ADHD -> Slechte concentratie

Hier gaat iets fundamenteels mis. De pijl hoort in de laatste drie gevallen namelijk de andere kant op te staan. ADHD is niet een 'ding' op zich die ervoor zorgt dat iemand een slechte concentratie heeft, maar bij iemand die zich niet goed kan concentreren kunnen we misschien spreken van ADHD en dit heeft allemaal te maken met de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, ofwel de DSM.

De DSM wordt ook wel de bijbel van de psychologen genoemd. Het is een boek waarin zo veel mogelijk psychische aandoeningen worden beschreven. Het is een manier om volgens een aantal vaste criteria iemand te diagnosticeren, dit wordt gedaan aan de hand van psychologische testen. Een versimpelde weergave: Als iemand 7 van de 10 symptomen heeft die onder autisme staan, dan kan hij/zij met autisme worden gediagnosticeerd. Dan spreekt men dus van een persoon met autisme.

Het doel van de DSM is om de communicatie tussen psychologen te verbeteren. Als er namelijk vaste criteria zijn, dan weet je zeker dat je collega hetzelfde met asperger bedoelt als jij. Het is echter een puur beschrijvend boek. Als mevrouw X last heeft van een slechte concentratie en ze heeft daarbij nog last van een aantal andere symptomen, dan kunnen we zeggen dat mevrouw X ADHD heeft. We kunnen echter niet zeggen dat mevrouw X ADHD heeft en dat ze daarom last heeft van een slechte concentratie. Op deze manier wordt alles omgedraaid. Het zou hetzelfde zijn als zeggen dat iemand een snotterige neus heeft en daarom het griepvirus krijgt.

Een psychische aandoening (ADHD, autisme, asperger, etc.) wordt op deze manier gereduceerd tot een soort ding. Iets wat op zichzelf bestaat en als het ware in iemand kan zitten waardoor je vervolgens last kan krijgen van allerlei symptomen (slechte concentratie, fixaties, etc.). 'Autisme' is echter niet een ding op zich, maar een beschrijving. Het is een beschrijving van een aantal symptomen die het makkelijker maakt om te communiceren. Het is hetzelfde als het woord 'pindakaas'. Er zijn verschillende soorten pindakaas en dit komt door de verschillende ingrediënten die gebruikt worden. Het is echter erg omslachtig alle ingrediënten steeds afzonderlijk op te noemen, in plaats daarvan spreken we over de beschrijving van wat die ingrediënten maken: Pindakaas.

Pindakaas is natuurlijk wel een ding op zich, maar het gaat erom dat we een naam hebben voor een aantal ingrediënten/symptomen die we vervolgens 'pindakaas'/'autisme' noemen.

Deze omdraaiing wordt tegenwoordig heel veel toegepast, onder andere in de populaire media. Dit is heel logisch, want we zijn immers gewend om te denken in oorzaak -> gevolg: virus -> griep. Maar wat is hier nou zo erg aan? Wat maakt het eigenlijk uit dat we zeggen dat weinig oogcontact komt door asperger of een slechte concentratie door ADHD?

Het probleem hiervan ligt erin dat we hierdoor de oorzaak van iemand psychische problemen leggen bij de beschrijving of het label. We kijken dan niet meer naar de persoon zoals die is, maar we kijken alleen nog maar naar de 'ziekte' en leggen hierbij de oorzaak van de problematiek. Bij sommige mensen kan dat zelfs leiden tot slachtoffergedrag: "Ik heb fixaties, maar hier kan ik niets aan doen want het komt door mijn autisme." Het leidt soms zo ver dat men spreekt van 'een autist', 'een ADHDer', enzovoorts. Er is geen sterkere manier om iemand tot zijn/haar problemen te reduceren dan hem/haar de naam geven van het label dat daarbij hoort.

Als we de oorzaak van iemands problemen leggen bij zijn/haar label, dan kijken we vervolgens niet meer naar wat deze persoon er zelf echt aan kan doen, het ligt immers aan zijn/haar autisme en niet aan de persoon zelf.

Het is belangrijk om te kijken naar de persoon in zijn geheel, met alle goede en slechte eigenschappen die erbij horen. De criteria uit de DSM zijn puur beschrijvend en als labels bedoelt en dat is alles waar je het voor hoeft te gebruiken. Als mevrouw X samen met een aantal andere symptomen een slechte concentratie heeft, dan kunnen we zeggen dat ze last heeft van ADHD. Dit betekent alleen maar dat ze last heeft van een aantal symptomen die onder het label van ADHD vallen. En daar laten we het bij. Vervolgens is het interessant om te ontdekken wat mevrouw X tot mevrouw X maakt en wat specifiek haar kan helpen. Dan kijken we naar mevrouw X zoals ze is, met al haar schoonheid en ook al haar wratten. Met andere woorden, we zien mevrouw X niet in het teken van haar ADHD, maar we zien haar als geheel.

Geschreven door: Dea Boom, online studentenpsycholoog

Wil je reageren? Neem dan contact op en geef je mening.


Wat nou als je faalt?

“Luister naar je hart.”

“Ga je dromen achterna.”

“Geloof in jezelf.”

Elke keer als ik mijn Facebook pagina open zie ik ze weer staan, deze zogenaamde inspirerende uitspraken. Vaak compleet met golvende letters en panorama achtergrond. Het is de Nederlandse versie van The American Dream. Luister naar je innerlijke wensen en door hard te werken zullen je dromen uitkomen. Op zich is hier niks mis mee, het geeft mensen inspiratie en kracht om door moeilijke tijden heen te komen. En toch levert het bij mij een tweestrijd op. Aan de ene kant is de boodschap mooi en aan de andere kant vind ik het te dogmatisch en simpel. Tijd om hier eens wat dieper op in te gaan. Want wat nou als je dromen falen?

Uitdagingen, tegenslagen, teleurstellingen, we komen ze allemaal wel eens tegen. Het is voor veel mensen een reden om niet te beginnen aan het verwerkelijken van hun dromen. De risico’s die een uitdaging met zich meebrengt zijn te eng om aan te gaan. Het is het klassieke voorbeeld van iemand die een artiest wil worden. Hij/Zij krijgt te maken met onzekerheid en instabiele financiën. En stel je eens voor dat het nooit zal lukken om door te breken. Dan heeft hij/zij alles voor niets gedaan, toch? Deze persoon kan dus beter niet voor het artiestenleven kiezen, maar voor iets dat meer stabiel is. Dit noem ik ook wel het “Ja, maar”-fenomeen. Het draait om het wel willen streven naar iets, maar dit simpelweg niet aan te durven: “Ja, dat kan ik wel doen, maar…” Er is niets mis met stabiliteit verkiezen boven een passie. Er kunnen allerlei omstandigheden zijn waardoor dit de betere optie is, bijvoorbeeld om je kinderen een toekomst te kunnen bieden. Het gaat erom dat het “Ja, maar”-fenomeen zorgt voor het zien van (te) veel beren op de weg. Je laat je tegenhouden door onzekerheden en angsten die zich op het moment alleen maar in je hoofd afspelen. Je richt je, met de woorden van schrijver Terry Goodkind, op het probleem en niet op de oplossing. Het is daarom belangrijk om eens te gaan kijken naar hoe we wel met uitdagingen en tegenslagen om kunnen gaan.

Het eerste punt dat ik wil maken is het belang van creativiteit. Creativiteit is niet iets dat je hebt of niet hebt, het is een vaardigheid die je kunt trainen. Iedereen kan creatiever worden, er zijn tegenwoordig veel boeken beschikbaar die je hierbij kunnen helpen. Door creatief na te denken open je nieuwe wegen. Als weg A niet lukt, dan probeer je weg B. Lukt weg B niet, dan ga je naar weg C, enzovoorts. Het alfabet is lang en dan zijn er nog oneindig veel cijfers die je kunt gebruiken. Stel je voor dat je een verandering in je woning aan wilt brengen, maar weinig financiële middelen hebt. Je zou bij weg A al kunnen stoppen: “Ja, ik wil wel een nieuwe keuken, maar daar heb ik het geld niet voor.” Als je niet verder kijkt, dan zal je de andere wegen nooit ontdekken. In plaats van je kapot te staren op weg A, kan je het volgende doen: Weg A lukt niet, dus die laten we voor wat het is. We gaan eens kijken naar een andere optie, weg B. Wellicht ken je mensen die goed kunnen klussen en voor een klein prijsje je willen helpen. Misschien kan je de materialen via via ergens vandaan plukken. Gooi je vragen je netwerk in en kijk wat eruit komt. Levert dit niets op? Geen probleem, dan gaan we gewoon naar weg C: Er is wellicht een lerende klusser die graag als ervaring jouw keuken komt aanpakken. Of je kan met weg D je keuken in delen aan laten pakken, zodat je tussendoor wat kan sparen. En wat dacht je van een extraatje ergens verdienen als zijnde weg E? Zoals je ziet zijn er zo veel opties beschikbaar die je nooit zou ontdekken als je alleen maar kijkt maar weg A: “Ja, maar…”

Dit brengt mij op het volgende punt: Denk, zoals eerder aangegeven, aan de oplossing en niet aan het probleem. De manieren die niet lukken, die lukken niet. Het heeft geen enkele zin om hierbij stil te blijven staan. Kijk naar datgene wat wel kan door bijvoorbeeld verschillende wegen op te zoeken. Stel dat je een product verkoopt en je ontdekt dat er vraag is buiten je huidige bereik. Staar dan niet naar het feit dat het op dit moment te ver weg is. Zoek naar een manier waarop je je bereik kan vergroten en zo je product daar aan de man kan brengen, waar erom gevraagd wordt. Denk in de oplossing. Een mooie manier van toepassing hiervan kan je vinden in mensen die door omstandigheden chronisch ziek zijn geworden en toch doorgaan. Er moet zeker ruimte zijn om dit verlies te erkennen en er te laten zijn, maar daarnaast straalt er ontzettend veel kracht uit de mensen die ondanks alles toch kijken naar wat ze nog wel kunnen en behalen. Als ergens het “Ja, maar”-fenomeen wordt vermeden, dan is het hier wel.

Tot slot wil ik nog een laatste punt maken wat betreft tegenslagen: Falen is niet erg. Ja, het is heel rot als datgene waar je je zo voor hebt ingezet niet lukt. Er moet zeker ruimte zijn om deze teleurstelling te kunnen uiten. Daarnaast is het echter nooit zo dat je er niets uit kunt halen. Wat je ook probeert, ook al mislukt het, je kunt er altijd van leren. Alleen al door te weten hoe iets niet moet, gaan je kennis en je vaardigheden omhoog. In die zin kan je helemaal niet falen. Elke ervaring, goed of slecht, kan je iets meegeven voor de toekomst. De meest succesvolle mensen op deze planeet hebben heel vaak gefaald voordat ze succes behaalden. Leren lopen gaat nu eenmaal gepaard met af en toe op je gat vallen. De weg naar datgene wat je wilt bereiken is eng, duurt heel lang en is heel moeilijk. Het is gewoon zwaar om jezelf steeds weer op te pakken en je in te blijven zetten. Maar kijk naar het doel dat aan het einde van die weg staat. Is dat deze lange weg waard? Dan zou ik er zeker voor gaan, oftewel: “Luister naar je hart, geloof in jezelf en ga je dromen achterna.” Simpel en dogmatisch, maar stiekem ook wel een beetje waar.

Geschreven door: Dea Boom, online studentenpsycholoog

Wil je reageren? Neem dan contact op en geef je mening.


Zelfverzekerd zijn: Wie wil dat niet?

Ik ga zitten en kijk om me heen. Met ietwat trillende handen klem ik het kopje thee stevig vast. Na een introductiepraatje en wat heen en weer gebabbel is daar de vraag die ik het meest gevreesd heb: “Wat zijn uw goede en slechte eigenschappen, mevrouw Boom?” De bekendste sollicitatievraag is gesteld. Tja, wat zijn eigenlijk mijn goede en slechte eigenschappen? Door mijn hoofd schiet meteen een kritische wedervraag. Bestaan ze eigenlijk wel, die goede en slechte eigenschappen? Hebben we als mens niet gewoon eigenschappen die zowel positieve als negatieve effecten hebben? Moeten we ze opsplitsen in goed en niet goed of moeten we ze zien als één geheel? Neem bijvoorbeeld een eigenschap waar we allemaal wel op de één of andere manier mee te maken hebben: zelfverzekerdheid. Hoe komt het dat de ene persoon vol zelfvertrouwen rondloopt en de ander vrijwel onzichtbaar is? En wat is dat eigenlijk, zelfverzekerd zijn?

Zelfverzekerdheid heeft te maken met besluitvaardigheid, kracht, zelfwaardering, eigenwijs zijn, fouten mogen maken, zelfkennis, enzovoorts. Het voelt goed om zelfverzekerd te zijn, het voelt goed om beslissingen te kunnen nemen en op je eigen oordeel te mogen vertrouwen. Maar hoe krijg je het dan voor elkaar om zelfverzekerd te zijn? Het betekent voornamelijk dat je jezelf kent en accepteert. Hoe meer je jezelf kan accepteren, hoe zelfverzekerder je bent. Met zelfkennis weet je waar je goed in bent en waarin niet, je weet hoe je met bepaalde situaties om kan gaan, hoe je tegen de wereld aankijkt, et cetera. Jezelf accepteren betekent ook dat je je bewust bent van je ‘slechte’ kanten en dat je weet dat deze er ook mogen zijn.

Ik denk dat zelfvertrouwen opbouwen een proces is dat je hele leven lang duurt en al begint in je kindertijd. Als kind is alles nog nieuw voor je en moet je heel veel leren. Denk bijvoorbeeld aan het praten met vreemden. Hoe ouder je wordt, hoe beter dit meestal gaat. Je kan van anderen afkijken hoe zij het doen, je probeert verschillende manieren uit en zo leer je met vallen en opstaan steeds wat zekerder te worden over het leggen van nieuwe contacten. Waar je je ook onzeker over voelt, je kunt met pieken en dalen leren om meer zelfvertrouwen te krijgen in je vaardigheden en je eigen oordelen. Door open te staan voor de inzichten van anderen en met een nieuwsgierige blik naar jezelf te kijken, leer je jezelf kennen. Zo kan je, door jezelf te accepteren, een zelfverzekerdheid kweken waarmee je jezelf nog eens zou kunnen verbazen.

Het leerproces kan bevorderd worden door hulpmiddelen zoals de assertiviteitstraining die bij de praktijk waar ik werk, Praktijk Hoek Melkweg, wordt gegeven. Je krijgt hiermee op een praktisch niveau handvatten aangeboden die kunnen helpen om op je eigen manier je assertiviteit te ontwikkelen. Door stil te staan bij wat ervaringen je kunnen leren, kan dit je een stapje verder helpen in je persoonlijke ontwikkeling.

"Wat zijn uw goede en slechte eigenschappen?" Ik zet het kopje thee neer en kijk mijn beoordelaars aan. Ik laat ze zien wat mijn persoonlijke leerproces is geweest, waar ik ben begonnen en waar ik nu sta. Ja, ik heb nog veel te leren, maar met vallen en opstaan kan ik me steeds verder ontwikkelen. Net als ieder ander.

Geschreven door: Dea Boom, online studentenpsycholoog

Wil je reageren? Neem dan contact op en geef je mening.


Wetenschappelijk bewijs: De echte waarheid?

Wat is de wetenschap? Mijn handen bevriezen boven het toetsenbord. Deze simpele vraag die maar uit vier kleine woorden bestaat zorgt voor een wervelstorm aan gedachten in mijn hoofd. Wetenschap is het zoeken naar antwoorden door meer en meer vragen te stellen. Wetenschap is met elkaar in discussie gaan en het vooral niet met elkaar eens worden. Wetenschap is onderzoeken en ontdekken, soms door toeval en soms na een jarenlang proces. Maar bovenal voldoet de wetenschap aan een zeer basale behoefte van de mens: We willen graag weten hoe iets werkt. Waarom? Stel je eens voor dat je niet wist hoe onweer ontstaat of waarom we ziek kunnen worden door besmetting. De wereld ziet er een stuk enger en gevaarlijker uit als je het niet begrijpt. Met de wetenschap kunnen we volgens gecontroleerde onderzoeken langzaam maar zeker antwoorden krijgen die het leven begrijpbaar maken.

We hechten in onze maatschappij veel waarde aan het wetenschappelijk onderzoek. Denk maar eens aan de slogans van reclamebureaus, zoals: "Uit onderzoek blijkt dat product X in 8 van de 10 gevallen werkt." Als de stempel van het wetenschappelijk bewijs ergens op is gedrukt, nemen we het al snel als waarheid aan. Maar hoe waar is dit eigenlijk? Kunnen we de marketeers wel vertrouwen als ze wetenschappelijke evidentie aanhalen? En wat betekent dat dan precies?

De beste manier om een oorzakelijk verband aan te kunnen tonen, A zorgt voor B, is met behulp van de zogenaamde gouden standaard. Hierbij maak je twee willekeurig opgestelde groepen die je precies gelijk houdt met uitzondering van één onderdeel. Als er vervolgens een verschil tussen de groepen ontstaat, dan weet je dat dat ene onderdeel hiervan de oorzaak moet zijn geweest. Je neemt bijvoorbeeld twee groepen muizen waarbij de omstandigheden precies hetzelfde zijn, behalve het voer dat ze krijgen. Als er een verschil op treedt, dan moet dit dus aan het voer hebben gelegen en kan je zeggen dit bepaalde voer een effect heeft op muizen.

In gecontroleerde laboratoria settings is deze onderzoeksmethode goed toe te passen. Het is echter al wel duidelijk dat dit elders een stuk moeilijker is. Zeker als we het hebben over onderzoek op mensen. Veel vaker wordt er daarom in deze gevallen een verband (correlatie) gelegd die zegt dat twee facetten een relatie met elkaar hebben, maar kan er niet worden bepaald waar de oorzaak ligt. Zorgt A voor B of B voor A? Of is er een C die A en B allebei beïnvloedt? Daarnaast moet je beperkingen toepassen voordat je überhaupt kan beginnen met onderzoeken. Je moet namelijk een onderwerp uitkiezen dat je gaat observeren. Hiermee sluit je automatisch andere factoren uit en is je onderzoek per definitie een versimpelde weergave van de complexe werkelijkheid. Tot slot moet je rekening houden met allerlei factoren die je uitslag beïnvloeden.

Wetenschappelijk onderzoek is een ingewikkelde bezigheid en kan maar in weinig gevallen met zekerheid een oorzakelijk verband en daarmee een feit ontdekken. En dan nog spreken we vaak met een marge van onzekerheid. Één ding is duidelijk: Als je heldere en simpele antwoorden wilt, dan kan je beter niet naar de wetenschap gaan. En toch wordt veel onderzoek, waarin zeker wel de beperkingen worden aangegeven, uit hun verband gerukt door de media. Niet alleen reclamemakers, maar ook kranten en andere bladen gebruiken (misbruiken) de onderzoeken om simpele en vaststaande waarheden naar buiten te brengen. Mijn advies luidt daarom als volgt: Neem niet alles wat je leest zomaar aan omdat de stempel van het wetenschappelijk bewijs erop is gedrukt. Informeer je naar het onderzoek zelf en laat je niet misleiden door de indrukwekkende woorden. Het is namelijk wetenschappelijk bewezen dat kritisch nadenken goed is voor de gezondheid.

Geschreven door: Dea Boom, online studentenpsycholoog

Wil je reageren? Neem dan contact op en geef je mening.


Vanaf nu wordt alles anders!

Wil je stoppen met roken? Meer bewegen? Gezonder eten? Geweldig! Maar hoe doe je dat eigenlijk? Als we terug kijken naar de voornemens die we in het begin van dit jaar hebben gesteld, hoe veel is daar nu nog van over? De kans is groot dat we het wel geprobeerd hebben om iets in ons leven te veranderen, maar dat we uiteindelijk toch weer met een zak chips op de bank tv zitten te kijken.

Het begin van een verandering gaat vaak goed. We zitten dan vol energie en willen het graag nu echt eens anders gaan aanpakken. Neem als voorbeeld het aanleren van een ander eetpatroon. Het is in het begin relatief makkelijk om de ongezonde rommel weg te gooien, andere producten in huis te halen en het dieetboek vast te volgen. Op een gegeven moment wordt het echter wat lastiger. Dan is de behoefte voor verandering wat minder sterk en beginnen de oude gewoontes weer de kop op te steken. Dit is het keerpunt wat een verandering laat doorgaan of laat stoppen. Het is het moment waarop we besluiten door te gaan met een andere leefwijze of weer terug gaan naar de oude vertrouwde manier.

Waarom is dit keerpunt toch zo lastig? Het is te vergelijken met een karrenspoor. Een gewoonte is een spoor waar vaak over heen wordt gereden en daardoor diepe groeven heeft. Als we een nieuw spoor aan willen leggen, is dit in het begin nog maar een heel dun spoortje. De kans om weer terug te vallen in het oude diepe spoor is daardoor erg groot. We zullen het nieuwe spoor eerst vaak moeten begaan wil het net zo diep worden als het andere spoor. We houden onze gewoontes in stand door steeds over hetzelfde spoor te blijven rijden.

Als we écht iets willen veranderen in ons leven, zullen we hard moeten werken om van de nieuwe leefwijze een nieuw spoor (een nieuwe gewoonte) te maken die we vaak moeten begaan. Het keerpunt is het moment van terugval of doorgaan. Wanneer we wel willen doorgaan kan het helpen om allerlei hulpmiddelen aan te spreken. Jezelf herinneren door briefjes op te plakken, iemand in je omgeving vragen om je te helpen bij de les te blijven, de hulp van een coach in te schakelen, enzovoorts. Een handige vuistregel is om de nieuwe gewoonte 21 dagen lang vol te houden. Zo lang is er gemiddeld nodig om iets anders aan te leren. Het mooie is namelijk dat als we eenmaal het keerpunt voorbij zijn, we een nieuwe gewoonte hebben aangemaakt en deze steeds sterker kunnen maken.

Veranderen? Ja, het kan echt. Wees niet bang om hulpmiddelen in te schakelen en geef jezelf de tijd om een nieuw spoor aan te maken. En wie weet dat de voornemens van het nieuwe jaar straks niet eens meer nodig zijn.

Geschreven door: Dea Boom, online studentenpsycholoog

Wil je reageren? Neem dan contact op en geef je mening.


Wat doen we met negatieve gevoelens?

De wekker gaat en ik voel het meteen. Het wordt weer zo’n dag. Zo eentje waarin alles verkeerd gaat. Ken je dat? Ik zit met een chagrijnig hoofd aan het ontbijt en probeer mezelf een beetje op te vrolijken door een komisch stukje in de krant te lezen. Terwijl ik zonder te proeven de cornflakes mechanisch naar binnen werk, vraag ik me af wat ik eigenlijk het beste met dit rotgevoel kan doen. Moet ik het wegstoppen en negeren? Moet ik ertegen gaan vechten en mezelf een schop onder de kont geven? Moet ik het er juist laten zijn en me maar extra rot gaan voelen? Moet ik er überhaupt wel iets mee doen? Wat doen we eigenlijk met onze negatieve gevoelens?

Het is heel normaal om een negatief gevoel te laten verdwijnen door jezelf af te leiden of door iets te doen wat je in een betere stemming brengt. Het is vaak effectief om jezelf op deze manier het zetje te geven dat je op dat moment nodig hebt. In andere situaties kan het echter minder goed werken. Op de korte termijn werkt het wel, maar het gevoel blijft op de achtergrond knagen en zorgt ervoor dat je er steeds weer op terug komt. In dit geval is negeren een minder goed idee. Je kunt de oorzaak proberen aan te pakken of, als de oorzaak niet duidelijk is, het gevoel er maar gewoon laten zijn. Dit betekent dat je er voor gaat zitten om je even rot te voelen.

Het klinkt wellicht raar, want hoe lang moet je je dan bijvoorbeeld slecht gaan voelen? Misschien is het niet een kwestie van tijd, maar gaat het erom dat je kan zeggen: Het is oké dat ik me nu slecht voel. Je kunt je lijden verminderen door niet meer te vechten tegen de dingen waar je niets aan kunt doen. Hiernaast kan het ook fijn zijn om, hoewel het een rot gevoel is, hier midden in te gaan zitten. Om aandacht te geven aan datgene wat er speelt.

Het is natuurlijk ook belangrijk om hier niet voor eeuwig in te blijven hangen. Juist je concentreren op de dingen die goed gaan en positief zijn, kan je erg helpen om met een vervelende situatie om te gaan. Soms heb je gewoon even een zetje nodig om uit de funk te komen.

Ik kijk naar beneden en zie de bodem van de kom. Oh, mijn ontbijt is alweer op. Ik besef me dat ik vandaag veel verschillende soorten strategieën kan toepassen om de dag door te komen. Het is ook niet zo simpel dat één strategie altijd werkt. Het hangt af van de persoon, de situatie, et cetera. Er zijn in ieder geval genoeg mogelijkheden, een gedachte die me toch wat gerust stelt. Wellicht dat ik vandaag eens iets anders kan proberen dan dat ik normaal gesproken doe. In een wilde opwelling spring ik op,  sprint ik naar buiten met mijn pyjama nog aan en ren ik een rondje om het huis. Hijgend sta ik weer bij de voordeur en grijp ik in mijn zakken naar de sleutel… Oh ja, die ligt nog op mijn bureau… Inderdaad, het is weer zo’n dag.

Geschreven door: Dea Boom, online studentenpsycholoog

Wil je reageren? Neem dan contact op en geef je mening.


Hoe kom je van die lastige mensen af?

Je kent ze wel, die lastige mensen. De collega waar je niet mee door één deur kan, de buurman die zijn muziek altijd hard aanzet, precies op het moment dat jij wil gaan slapen, de schoonzus die steeds weer iets op de inrichting van je woonkamer aan te merken heeft. Kortom, lastige mensen. Het liefst gaan we ze zo veel mogelijk uit de weg. We maken geen vrienden met iemand die het bloed onder onze nagels vandaan haalt. Hoewel dit vaak een goede oplossing is, is het niet altijd mogelijk. Je hebt weinig invloed op wie je collega's, buren en familie zijn. We zullen dus een manier moeten vinden om met ze om te gaan. Maar hoe doen we dat?

Ten eerste is het belangrijk dat we ons één ding heel goed beseffen: We hebben geen directe invloed op een ander, maar wel op onszelf. We kunnen nu eenmaal niet bepalen wat een ander denkt en voelt. Het tweede belangrijke punt is dat een interactie altijd een over en weer spel is. Persoon A reageert op persoon B en andersom. Er is nooit één persoon die de interactie bepaalt, mensen reageren altijd op elkaar. Als ik bijvoorbeeld boos op mijn buurman afstap, dan zal deze naar alle waarschijnlijkheid in de verdediging schieten en boos reageren. Hierdoor word ik nog bozer en zo kan de boel escaleren. Deze cirkel kan ik doorbreken door mijn eigen reacties aan te passen om zo een indirecte invloed op de ander uit te kunnen oefenen.

Stel je voor dat je een collega hebt die altijd te laat is met het inleveren van zijn opdrachten waardoor jij steeds op hem moet wachten en dus niet verder kan werken. Je hebt meerdere keren gevraagd of hij hierop wil letten, zelfs tot het punt dat je hem deadlines geeft. Niets lijkt echter te helpen en je merkt dat de frustraties steeds hoger oplopen. Wat nu? Punt één (je kunt een ander niet veranderen) en punt twee (hij reageert op jou en andersom) zouden de oplossing kunnen bieden. Je kunt je eigen reacties aanpassen zodat je bij hem iets anders teweeg brengt. Waarschijnlijk wordt hij alleen maar koppiger naarmate je meer dreigt, dus kan je proberen het tegenovergestelde te doen. Zeg hem bijvoorbeeld dat je het zo fijn vindt dat hij echt de tijd neemt om de opdrachten goed te maken. Op deze manier haal je de strijd eruit, waardoor hij niets meer heeft om tegenin te gaan. De kans is groot dat hij de volgende keer op tijd is.

Probeer het maar eens. De volgende keer dat iemand op je afstapt doe je iets heel anders dan je normaal zou doen. Dit zal, naast verwarring, een hele andere reactie teweeg brengen. Hoe meer we hiermee experimenteren, hoe meer we ontdekken dat wat we zelf doen een grote invloed kan hebben op de reactie van de ander. We kunnen van de lastige mensen afkomen, niet door de 'mensen' weg te halen, maar het 'lastige'. Wie weet ontdekken we dat die schoonzus zelfs nog iets leuks te vertellen heeft ook.

Geschreven door: Dea Boom, online studentenpsycholoog

Wil je reageren? Neem dan contact op en geef je mening.


Deze website maakt gebruik van cookies om je gebruikservaring te optimaliseren. Door op 'OK' te klikken of door gebruik te blijven maken van deze website, gaat je akkoord met het plaatsen van deze cookies. Lees ook onze privacy statement. Ok, sluiten